woensdag 17 augustus 2016

Zaaiers van tweedracht: Divina Commedia: Hel: Canto 28

img_20160811_211129.jpgDante en Vergilius komen aan bij de 9e ringgracht in de 8e kring van de hel. Het wordt steeds grimmiger, merkt de verteller op. In dit deel zitten de zaaiers van tweedracht, zegt hij aan het eind van de vorige canto. Hij vertelt er meteen bij dat het met schuld beladen tweedracht is.

De eerste die hij hier al aantreft zijn Mohammed en zijn schoonzoon Ali. Het gezicht van Ali is van kin tot kuif doorklieft. Een duivel splitst hen telkens weer gemeen in tweeën, vertelt Ali aan Dante. Als Mohammed hem even later vraagt wat hij hier doet, antwoordt Vergilius.

Dat Mohammed hier te vinden is, komt mogelijk door legenden uit de Middeleeuwen waarin beweerd wordt dat de profeet van de Islam mogelijk een afvallige kardinaal is geweest. Hier maakt Mohammed al aanstalten om verder te gaan nog voor hij uitgesproken is.

In dit deel van de hel komt Dante een bijzondere ziel tegen. Het is een romp zonder hoofd dat hier rondloopt. Hij loopt onder de brug door die de verteller en Vergilius oversteken.

Ik zag, en ’t schijnt mij dat ik nog zie schrijden
Een lichaam zonder hoofd, gaande met de scharen
Die in die droeve stoet zich samenrijden.

Het afgeslagen hoof hing bij de haren
Hem aan de hand en zag ons aan en klachtte:
O jammer! en het diende ‘m als lantaren.

Het Zelf dat zag, ging uit voor het omnachte,
Twee en toch één, één en in twee tezamen;
Hoe ’t kan weet Hij die werkt in al ’t volbrachte. (vs. 118 – 126; Verweij)

Hij noemt zich Bertran de Born en vertelt over de tweedracht die hij zaaide tussen de koning van Engeland en zijn zoon. Hij vergelijkt zijn rol met die van de bijbelse Achitofel die vader David en zoon Absalon op soortgelijke wijze tegen elkaar opzette. Zijn daad heeft Betran de Born deze straf opgeleverd.

Hij legt uit dat de straf die hij krijgt, een contrapasso is. De straf heeft een relatie met de begane zonde op aarde. Voor Betran betekent dit zijn hersenen los van zijn lichaam zijn. Het is de wet van de wedervergelding, merkt hij op tegen Dante.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 28

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Albert Verweij uit 1923. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 10 augustus 2016

De graaf en slechte raad: Divina Commedia: Hel: Canto 27

img_20160801_215226.jpgDe helden van deze reis door het hiernamaals hebben al iets gezien van wat straks komen gaat: de louteringsberg. Dat is straks het 2e deel van de Divina Commedia. De sprekende vlam komt weer tot rust, maar een nieuwe vlam weet te ontsnappen. Hij zegt niet wie hij is, maar het is de graaf Guido da Montefeltro. Een veldheer, geëerd en geprezen.

Hij vertelt hier iets van zijn levensverhaal. Ook hier speelt Dante met het beeld van de hel. De vlam vertelt hier een verhaal die hij wel mag zeggen omdat toch nooit een levende ziel uit dit deel van de hel heeft weten te komen.

Hier lijkt de verteller ook in tweestrijd. Hij deelt de graaf in dit deel van de hel, maar de graaf verontschuldigt zich en lijkt de schuld te willen geven aan anderen dat hij hier zit. Een treurig verhaal over een advies dat niet deugt en waarvoor hij blijkbaar geen goede verklaring kan geven.

Het lijkt of hij geen verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn daden. Onduidelijk is het voor mij waarom deze gestrafte in dit deel van de hel moet verblijven. Hij heeft eenvoudig gezwegen op het moment dat hij raad moest geven, in ruil voor het witwassen van zijn zonden.

Deze canto eindigt dan ook treurig en een beetje onbestemd.

Toen hij aldus zijn rede had voleindigd,
Verwijderde de vlam zich jammerklagend,
De scherpe spits rondslaande en wringende.

Wij gingen voort, mijn Gids zoowel als ik,
Steeds langs den rotwand tot aan de andre boog,
Die over diep ligt waar men ’t loon betaalt

Aan hen die tweedracht zaayend, zich bezwaarden. (130 – 136, Kok)

Alsof Dante hier niet het echte geheim wil verklappen, grijpt hij naar een vertellerstruc: op naar het volgende hoofdstuk. Het stuk van de hel met de zondaars die tweedracht zaaiden.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 27

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Kok uit 1863/1864. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 3 augustus 2016

De slechte raadgevers: Divina Commedia: Hel: Canto 26

img_20160801_212400.jpgDante verfoeit de daden van zijn stadgenoten en geeft ze een royaal plekje hier tussen de rovers en dieven. Of hij hiermee meer zijn gelijk wil halen dan dat hij eerlijk recht spreekt, blijft in het midden. Het levert wel een prachtig stukje literatuur op. Gedreven door het onrecht dat hem is aangedaan.

De verteller roept uit dat de stad bestraft zal worden en hij hoopt dat dit spoedig zal gebeuren. Het lijkt op de vader die zijn kind met mededogen slaat, zoals in psalm 6 staat.

De vlammen die Vergilius en Dante in de 8e ringgracht zien oplichten, vergelijkt de verteller met de ontelbare lichtjes die vuurvliegjes maken boven het land in de zomer. De nieuwsgierigheid van de dichter wordt hem bijna fataal als hij voorover hangt om naar beneden te kijken. Hij weet zich net op tijd aan een rotsblok vast te klampen.

Vergilius vertelt hem wat hij ziet: in de vlammen bevinden zich de zielen ingekapseld. Daar zitten ook de Grieken Ulixes en Diomedes. Dante grijpt de gelegenheid aan om de beide romanhelden (legerleiders) te spreken. Ze worden gestraft voor hun listen: het paard van Troje en hoe ze Achilles weglokten van zijn geliefde.

Een vlam begint te spreken, direct verwijzend naar de tongen zoals de apostelen spraken met Pinksteren:

De oude vlam bewoog zijn grootste horen
met veel gefluister en geflakker zó
als vuur dat door een windvlaag wordt geteisterd.

Vervolgens ging de vuurspits heen en weer:
was net een tong die zich bewoog tot spreken,
en klanken wierp hij uit waarmee hij zei: (85 – 90; Brouwer)

De metaforen die de verteller gebruikt, zijn bepalend voor de kracht van dit literaire werk. Ik kan ontzettend genieten van dit soort zinnen, waarbij je de vlam ziet flikkeren en bewegen op de wind. Waarin de vlam zich omvormt tot een tong en echt spreekt. Hier kan geen tekening tegenop. Het plaatje tekent zich in je hoofd.

Daarom ben ik zo gek op Dantes Goddelijke komedie

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 26

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Brouwer uit 2000. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 27 juli 2016

Gedaanteverwisseling: Divina Commedia: Hel: Canto 25

img_20160725_220000.jpgDe dieven en rovers vormen misschien wel de grootste groep zondaars in de hel. Dante besteedt tijdens zijn reis door het hiernamaals veel aandacht aan de plek waar ze zitten: de 7e ringgracht in de 8e cirkel. De zielen worden hier in bedwang gehouden door slangen.

Dat is ook de redding voor Dante als de dief zijn vuisten balt in de richting van de dichter. De slang wikkelt zich om zijn nek en de dief kan niets meer uitkramen. Bovendien slaat de centaur Cacus toe om de zondaar nog in zijn nek te grijpen. Maar de dief heeft de benen al genomen.

Dit bijzondere mythisch wezen achtervolgt in dit gedeelte van de hel ook de zondaars om ze extra hardhandig de les te lezen. Dante ziet 3 schimmen en terwijl hij naar hen kijkt ziet hij een 6-koppige slang toeslaan.

Het tafereel dat Dante nu beschrijft is ongelooflijk. De verteller vertelt het ook heel beeldend hoe de slang deze Cianf dei Donati inkapselt. De beruchte dief en inbreker uit Florence wordt hier bestolen van zichzelf.

Nooit zag men klimop zoo een boom bekleeden,
Als van het vrees’lijk ondier was te ervaren,
Hoe vast zijn lijf zich hechtte aan diens leden.

Toen, of zij beide’ als heete was vergaren,
Versmolten zij en wisselden hun kleuren,
Dat geen van beide scheen, wat éérst zij waren,

Gelijk men – voor de vlam uit – ’t ziet gebeuren,
Als bruine rand komt door ’t papier gestreken
Nog niet gansch zwart, noch gansch meer wit te speuren. (vs. 58 – 66, Rensburg)

De ziel is beest geworden vertelt Dante. Hier vindt een wonderlijke gedaanteverwisseling plaats. De dief is van zichzelf bestolen. Het hele lichaam van de mens verandert in het reptiel.

De 2 overgebleven dieven vergelijken nu zichzelf heel mooi met de slangen die hen omringen. Het levert een mooi contrast op met de straf die God de slang geeft na de zondeval.

Een contrastrijk en heel sterk canto is dit gedeelte van Dantes Goddelijke komedie. Het bewijst voor mij weer dat het een bijzonder boek is dat soms overstroomt als een borrelend vat. En waar ik niet altijd vat op heb.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 25

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van J. K. Rensburg uit 1908. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 20 juli 2016

Dieven en rovers: Divina Commedia: Hel: Canto 24

Dante en zijn begeleider Vergilius komen verder naar de kern van de hel. Ze zijn belandt bij de brug die de zesde kring van de 10 grachten verbindt met de zevende kring. De brug is echter ingestort. Ze kunnen niet verder. Er liggen brokstukken voor hen.

Dante vergelijkt zijn teleurstelling in prachtige bewoordingen met de boer die ’s ochtends naar buiten kijkt in de hoop zijn vee naar buiten te kunnen doen. Hij denkt sneeuw te zien liggen, maar het is rijp:

Dan staat de boer, bij wien het voeder schaarsch wordt;
Vroeg op en kijkt, en ziet nog alle velden
Gansch wit; hij slaat zich op de dijenEn keert in huis, loopt klagend her en der,
Een arme bloed, die niet weet wat te doen
Komt weer naar buiten, en herwint de hoop,

Bemerkend hoe in korten tijd de wereld
Haar aanschijn heeft veranderd; neemt zijn staf,
En jaagt de schaapjes buiten om te grazen.

Alzoo deed de meester mij ontstellen,
Toen ‘k zag hoe zijn gelaat verduisterd werd,
En even snel volgde op dit kwaad de pleister (vs 7 – 18, Bremer)

De dichter Vergilius redt Dante opnieuw uit de positie waarin ze zijn beland. Hij wordt gedragen door de schim die de Romeinse dichter is en vliegt naar de volgende damwand. Hij wil bij de pakken neer gaan zitten, maar Vergilius maant hem aan in beweging te komen. We zijn misschien wel uit de gracht van de huichelaars, maar we zijn er nog lang niet.

Dante tuurt naar beneden, maar kan niks ontwaren. Waar zijn ze belandt? Het is te donker om goed te kunnen kijken. Als ze afdalen zien ze hier de gestraften. Overal krioelen de slangen en de naakte zielen rennen en springen, maar het is doelloos.

Ze kunnen geen kant op. Bovendien zijn ze ook met slangen vastgebonden, de handen op de rug terwijl de slangen overal doorheen steken. Hier ziet Dante Vanni Fucci. Een dief, die overigens zich ook misdroeg op andere vlakken. Maar de diefstal van de kerkschat uit de dom van Pistoia.

Voor de schrijver Dante is het de gelegenheid de ziel weer een voorspelling te laten doen. Het doel hiervan is zoals de zondaar zegt om Dante pijn te doen.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 24

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Frederica Bremer uit 1943. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 13 juli 2016

Huichelaars en hypocrieten: Divina Commedia: Hel: Canto 23b

img_20160703_111341.jpgIn de 6e ringgracht zitten de huichelaars en hypocrieten. Ze komen nauwelijks vooruit door de loodzware monnikskappen die ze dragen. Ze zijn heel zwaar. Zo zwaar, zegt de verteller, dat de hoofddeksels die de gestraften van majesteitsschennis tegen keizer Frederik droegen, zo licht als stro waren.

Ze lopen zo langzaam voorovergebogen dat Dante en Vergilius bij elke stap die ze zetten naast een andere zondaar lopen. Hier treft Dante weer een bekende. Iemand herkent hem namelijk aan de Toscaanse tongval. Het zijn 2 ridders uit Bologna die Dante hier ziet lopen. De verteller vergelijkt de last die de beide heren moeten dragen in hun pij, wel heel mooi:

Deze goudkleurige pijen zijn zozeer met lood verzwaard dat wij onder de last ervan net zo kreunen als een weegschaal die een uitzonderlijk gewicht moet dragen. (vs 100-102, Van Dooren)

De oude rivaliteit in Florence komt weer voorbij in het gesprek dat de heren met elkaar voeren. Maar voordat Dante iets kan zeggen, ziet hij iemand vastgenageld aan de grond met 3 spietsen liggen. Het de hogepriester Kajafas die hier op mensonterende wijze wordt gestraft.

De ridders weten te vertellen dat niet alleen Kajafas deze straf treft. Ook zijn schoonvader en andere leden van het Sanhedrin, de Joodse hoge raad die Jezus veroordeelt, worden in deze ring op dezelfde wijze gestraft voor hun verraad.

Vergilius vindt dit er zo gruwelijk uitzien dat hij de duivels in deze ring niet vertrouwt. Hij wil snel verder naar de volgende ringgracht en vraagt de Bolognezen de weg.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 23b

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Frans van Dooren uit 1987. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 6 juli 2016

Goddelijke voorzienigheid: Divina Commedia: Hel: Canto 23a

Snel vluchten Dante en Vergilius naar de volgende ringgracht. Ze laten de ruziënde duivels achter. Dante vraagt zich vertwijfeld af of ze hieraan wel goed doen. Hij haalt een fabel aan over de kikker en de muis. De muis vraagt bij een sloot aan de kikker of hij mag oversteken.
De kikker heeft verkeerde bedoelingen en wil dat de muis zich vastbindt aan hem. In het midden van de sloot wil hij dan naar beneden zakken om de muis te laten verdrinken. Als de kikker in het midden van de sloot is, grijpt een wouw de muis. Omdat de kikker vastzit aan de muis via het touw, heeft de wouw hem ook.

Dante vreest het ergste, want de duivels laten zich niet zomaar voor de gek houden en wie weet wreken ze zich op hem en Vergilius. De Romeinse schrijver heeft hetzelfde bedacht en bedenkt snel een plannetje. Maar de duivels komen er al aan voordat Vergilius goed en wel het plannetje verteld heeft. Daarom grijpt de dichter Dante in zijn armen en glijdt naar beneden van de rotsachtige helling.

Hier maakt de verteller weer een prachtige vergelijking met de schoepen van een waterrad:

Nooit ging zó snel water door een geul
om rad te wentelen van een watermolen
wanneer het ’t dichtste bij de schoepen komtals nu mijn meester langs die oeverhelling,
met mij intussen aan zijn borst geklemd,
als was ḱ zijn zoon en niet slechts reisgezelschap.

Zijn voeten hadden nauwelijks aangeraakt
de diepe bedding, of zíj stonden boven
al aan de rand, maar weg was onze angst! (vs 46 – 54; Brouwer)

Eerst redt de gestalte van Vergilius Dante uit de vervelende positie waarin ze zijn terechtgekomen. Daarna maakt de verteller ook nog eens gebruik van de ‘deo ex machina’, de goddelijke kracht die de personages verder beschermt.

Ze vluchten razendsnel de 6e ringgracht in. Hier kunnen de duivels uit de 5e ring niet komen. De goddelijke voorzienigheid beschermt ze daarvoor wel. Het is wel een mooi, spannend gedeelte in de avonturenroman die dit deel van de reis door de hel meer en meer aanneemt.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 23a

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rob Brouwer uit 2000. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Terugblik: Paradijs: Canto 22

Ik blikte omlaag door alle zeven sferen, en toen ik de aardbol zag heel in de diepte, zo klein en zo gering, glimlachte ik even. En loof ik ...