woensdag 28 juni 2017

Verbeeldingskracht: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 17a

De verteller richt zich tot zijn lezers om voor te stellen hoe het is als de mist in het zonlicht oplost. Heel mooi zoals hij het beschrijft. De oproep aan de lezer om je dit voor te stellen vergemakkelijkt het om het beeld voor te stellen.

Daarna doet de verteller een oproep aan zijn eigen fantasie. Een dubbele boodschap natuurlijk als je beseft dat het hele boek uit zijn verbeelding ontspruit. Een mooi spel met de lezer en het verhaal.

Een oproep van de verbeelding, maar niet alleen de verbeelding van de verteller. Ook de verbeelding van de lezer wordt hier aangesproken.

Wat doet de verbeelding met Dante. Hij krijgt een visioen:

O, gij, verbeelding, die ons soms aan dingen
van buiten zo ontrukt dat ’n mens niets hoort
al klinkt trompetgeschal rondom: wie is het

die u, als oog noch oor iets aanreikt, drijft?
Dat doet een licht dat in de hemel vorm krijgt
vanzelf óf door een Wil die ’t neerwaarts leidt.

Zo trof mijn geestesoog het spoor van ’t onmens
dat werd veranderd in een vogel die
het mooiste, en het liefste ook, zingt van alle.

En door die beeltenis ín hem was mijn geest
zozeer gevangen dat hij niets van buiten
als indruk in zijn zinnen nog ontving. (vs. 13 – 24, Rob Brouwer)

De verbeeldingskracht die zich onttrekt aan de werkelijkheid. De verbeelding is met geen mogelijkheid te wekken, stelt de verteller. Zelfs duizend trompetten kunnen je dan niet wakker krijgen. Het is de verbeelding waarin je heerlijk kunt verdrinken. Eenmaal erin gedoken, kom je er moeilijk uit.

En zo zinkt de verteller Dante ook in de verbeelding. Hij ziet Assuerus, zijn vrouw Ester en de rechtvaardige
Mordokai. Dante refereert hier naar het verhaal van Esther in het gelijknamige bijbelboek uit het Oude Testament. Het beeld lost op en spat uit elkaar als een zeepbel. Onmiddellijk gevolgd door het volgende beeld van een meisje.

Gedichten rond Canto 17

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rob Brouwer uit 2001. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 21 juni 2017

Dichte rook: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 16

De dichte rook ontneemt de 2 reizigers elk zicht. Dante zegt dat hij door de hel heeft gelopen, maar dat het zicht niet eerder zo slecht was. Hij kan zelfs zijn ogen niet meer open houden en houdt zich vast aan zijn leidsman Vergilius.

Achter het rookgordijn hoort de dichter stemmen. Ze zingen om erbarmen en vrede aan het Lam Gods, het ‘Agnus Dei’. Daar wordt Dante aangesproken door een schim. Al ziet hij hem niet, de schim wil weten waarom de dichter hierheen is gekomen.

Het is Marco uit Lombardijen. Wie die Marco precies is, is niet meer na te gaan. De man is zeer bedreven in argumentatie, want hij voert een prachtig pleidooi op in dit gedeelte van de Louteringsberg. Terwijl hij onzichtbaar is, roept hij op om voor hem te bidden.

Daarnaast legt Marco een belangrijk element neer: de vrije wil. Het is natuurlijk een interessante filosofische discussie. Of de mens nu wel invloed heeft op de dingen die gebeuren. Staat het niet in de sterren geschreven?

Marco is heel duidelijk: de mens beslist weldegelijk over zichzelf:

Gij mensen schrijft de grond van alle dingen
de hemel toe, alsof deze in zijn wentling
uit noodzaak alles met zich mee doet cirklen.
Indien ’t zo was, wat bleef u dan over
aan vrije wil? En zou ’t nog billijk heten
voor ’t goede loon, voor ’t kwade straf te erlangen?
De hemel geeft de stoot tot uw daden
– ik zeg niet àlle – al zou ’t zo wezen,
u blijft een licht om goed van kwaad te scheiden,
en vrije wil die – weet hij stand te houden
in de eerste worsteling met ’s hemels machten –
eens alles overwint door geestelijk voedsel. (vs 67 – 78, vertaling Christinus Kops)

Het licht verwijst naar het verstand, waarop de mensen in de tijd van Dante zich steeds meer beroepen. De sterren bepalen het leven van de mens slechts heel beperkt. De mens is weliswaar onderworpen aan een hogere macht en de natuur.

Hier klinkt het ‘Veni Creator Spiritus’, de schepper en de geest, door. De hogere macht schept juist de ruimte voor de menselijke geest om zelf beslissingen te nemen. Als je van het rechte pad afdwaalt, komt dat door jezelf, zegt Marco heel stellig.

De kerk van Rome kwijt zich moeilijk van haar taak, stelt dezelfde persoon in zijn wijze verhandeling tegen Dante. Daar houdt het licht hem tegen van de engel die daar staat.

Gedichten rond Canto 16

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Christinus Kops uit 1943. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 14 juni 2017

Visioenen: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 15b

Dante merkt opeens dat ze bij de 3e omgang zijn gekomen op de Louteringsberg. Het is de plek waar de toornigen zich louteren van hun aardse zonden. Dante wordt hier getroffen door een visioen, schrijft hij in dit gedeelte van de 15e Canto.

Hij ziet in de eerste 2 visioenen 2 vrouwen. De 1e vrouw is Maria, de moeder van Jezus, die opmerkt dat ze bezorgd was omdat Jezus alleen in de tempel verbleef. De 2e vrouw schaamt zich voor haar dochter Pisistratus.

Het 3e voorbeeld dat Dante te zien krijgt in zijn visioen, is de steniging van de eerste martelaar Stephanus. De citaten die de verteller geeft, komen uit de verhalen die hij hier opvoert.

Dante ontwaakt versuft uit het visioen. Hij voelt zich knap belabberd. Maar zoals alles in dit boek, heeft het zien van de 3 visioenen een doel. Vergilius legt het geduldig aan de Italiaanse dichter uit:

Dat visioen werd je getoond, opdat
Je oog kreeg voor het water van de vrede
Dat uit de springbron van de hemel spat.

Ik vroeg jou niet “Wat scheelt je?” om de reden
Waarom hij ’t vraagt die er geen oog voor heeft
Dat iemand het bewustzijn is ontgleden,

Maar slechts opdat het je weer krachten geeft;
Zo prikkelt men de tragen die nog dralen,
Terwijl hun geest, die sliep, al is herleefd.’ (vs 130 – 139, vert. Cialona en Verstegen)

Vergilius geeft uitleg waarom Dante deze 3 voorbeelden te zien kreeg. Het moet hem kracht geven om verder te gaan. Dat Vergilius aan Dante de vraag stelt wat hem mankeert, is juist om hem wakker maken uit de visioenen.

Dit Canto eindigt met een cliffhanger: Dante en Vergilius zien een inktzwarte rookwolk in hun richting drijven…

Gedichten rond Canto 15

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Ike Cialona en Peter Verstegen uit 2000. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 7 juni 2017

Louteren: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 15a

Dante en Vergilius trekken van de ene omgang naar de andere. Onderweg wordt Dante ontdaan van de 2e P die op zijn voorhoofd gegraveerd is. In het gesprek met Vergilius probeert Dante al zijn indrukken te verwerken.
De reis over de Louteringsberg brengt Dante nog niet in de hemel, stelt de klassieke dichter. Of zoals Vergilius het zegt:

En hij zei tot mij: “Omdat gij zet
uw zin almaar op aardsche dingen,
haalt uit waarachtig licht gij duisterheid.
Dat oneingige, onuitsprekelijke goed,
dat daarboven is, schiet uit tot de liefde zóó,
lijk een lichtstraaal tot een lichtend lichaam komt.
Zooveel deelt het zich mee, als ’t vindt aan gloed,
zoodat even ver als de liefde zich strekt
de eeuwige kracht er op uitgroeit.” (vs 64 – 72, Van Delft)

De hardnekkige blik naar naar het aardse zorgt ervoor dat het licht der waarheid voor Dante alleen maar duisternis oplevert. De vergelijking die volgt legt Vergilius een verband met de liefde in de hemel. Alle zielen in de hemel versterken elkaar en het licht als een bundel spiegels. Als je je ervoor openstelt, ervaar je de liefde, maar zul je hem ook uitdragen en versterken.

De reis over de Louteringsberg is voor Dante ook een loutering. De reis door dit gedeelte van het hiernamaals helpt hem om zich te ontdoen van al het aardse. Beatrice zal hem daar straks ook bij helpen. Vergilius bereidt hem op die reis voor op wat er straks komen gaat in de hemel.

Misschien is dat ook het prachtige van de Louteringsberg. Het vormt secuur tussen de gruwelen van de hel en het heilige van de hemel. Voordat je de eeuwige gelukzaligheid betreedt. Alleen door berouw en boete kom je daar binnen, stelt Vergilius.

Gedichten rond Canto 15

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van A.J.H. van Delft uit 1920. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 31 mei 2017

Donder en bliksem: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 14b

De ontmoeting met zijn landgenoten hier bij de afgunstigen mondt uit in een schimmige voorspelling. De profetie gaat over wolven en een woud waaruit Dante met bloed overdekt naar buiten komt. De schade die achterblijft zal zich in geen duizend jaar herstellen, voorspelt de rechter uit Ravenna. Het groen van weleer zal een dorre vlakte zijn.

De negativiteit van de brenger van het onheil zet zich ook uit over hemzelf en zijn metgezel. Ook hun families zullen eraan moeten geloven. Het stemt hem droevig en hij stuurt Dante en Vergilius weg. Hij wil niet meer verder vertellen. Het maakt hem alleen maar verdrietig.

Zo lopen de 2 dichters verder. Op de gok. Daar laat Dante zich afleiden door een stem die als een bliksem door de lucht schiet. Een mooie combinatie van zien en horen. De verteller begint hier met een treffende vergelijking van het onweer:

En toen we alleen weer samen verder togen,
kwam als een bliksemschicht, de lucht doorklievend,
een stem ons tegenvlieden, die ons zeide:
‘Alwie me vindt, zal ’t leven mij benemen.’
Toen vlood de stem, wegrollend als de donder
wanneer opeens de wolken opensplijten.
En nauwlijks had ons oor weer tot rust bekomen,
of reeds een andre klonk met zulk gedaver,
dat ze op een slag geleek vlak na de bliksem:
‘Ik ben Aglaurus, die in rots verkeerde.’ (vs. 130 – 139, Christinus Kops)

De donder en de bliksem leiden Dante af. Vergilius legt rustig uit dat dit de strakke teugel is die de mens in bedwang moet houden. Hij wijst Dante erop dat hij nog een levend wezen is. Mensen bijten in het het aas dat de duivel voorschotelt. Het bezorgt de duivel alleen maar de mogelijkheid om de mens naar zich toe te trekken. Bovendien geeft het de duivel de kans om de mens te geselen en kastijden.

Gedichten rond Canto 14

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Christinus Kops uit 1929-1930. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 24 mei 2017

De loop van de Arno: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 14a

De 2 dichters lopen verder langs de bergrand. Ze horen stemmen van 2 Italianen die zich afvragen wie zij toch zijn, waarvan 1 een lichaam heeft. Ze lopen daar om de berg heen en krijgen de kans om de oren en ogen de kost te geven.

Ze vragen het aan Dante en Vergilius. Dante draait om het antwoord heen. Hij zegt niet rechtstreeks dat hij uit Florence komt, maar noemt de rivier die door zijn stad stroomt. Ook zonder deze te noemen, maar de 2 weten dat het om de Arno gaat.

Het 2-tal uit Italië begrijpt waarom Dante de naam niet noemt. Het klinkt of je het vergeten wilt, zegt één. Dingen die afschuwelijk zijn, spreek je niet uit. De ander schim merkt op dat aan de Arno misschien ook wel niet zulke beschaafde mensen wonen. Hij verwijst naar de graven Guidi die het kasteel Porciano bezaten. De vergelijking met het varken, porco, is snel gemaakt.

Het gedeelte van het verhaal dat volgt, zit boordevol met dit soort verwijzingen. Dante volgt de loop van de rivier en vergelijkt de bewoners van elke stad langs de rivier met een diersoort. Het is bijna reis door de hel, hoe lager hoe verschrikkelijker.

Door botte varkens heen, die eikelen meer verdienen dan ander voedsel, geschapen tot menschelijk gebruik, richt hij eerst zijn armelijk pad.
Keffertjes vindt hij voorts, daar hij lager komt, meer grijnzend dan hun kracht vergt, en ze minachtend keert hij den muil van hen af.
Hij gaat al vallende, en hoe meer die gemaledijde en ellendige sloot aangroeit, te meer ziet hij de honden tot wolven worden.
Voorts afgedaald door meerdere diepe zeeën, vindt hij de vossen zóó vol van loosheid, dat zij geen list vreezen die hen ving. (vs 43 – 54, Boeken)

Van de varkens in het Noorden, via de honden naar de wolven en tenslotte, in het losgeschoten stuk Italië, Sicilië waar de wolven zitten.

Een rijk scheldspel dat de verteller hier speelt. De beledigingen zijn niet van de lucht. Het gaat er hier hard aan toe, zoals de verteller duidelijk maakt aan de lezer.

Ook hier gebruikt Dante de Italianen voor een voorspelling van zijn lot: zijn verbanning uit Florence. Iets wat hij natuurlijk prachtig doet door het verhaal in 1300 te laten spelen en dan profetiën te doen.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 13

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van H.J. Boeken uit 1907-1910. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 17 mei 2017

Vroege merel: Divina Commedia: Louteringsberg: Canto 13b

Zoals Nederlandse nieuwsberichten altijd vermelden of er onder de slachtoffers Nederlanders zijn, zo vraagt Dante of er misschien Italianen onder hen zijn. En zeker, ook onder de afgunstigen in deze ring van de Louteringsberg, zitten Italianen. Zo raakt hij in gesprek met de zondige vrouw Sapía.

Ze heeft haar hele leven meer plezier gehad in andermans leed dan in haar eigen geluk, zegt ze tegen de schrijver. Haar naam mag dan iets als ‘wijs’ betekenen, ze gedraagt zich het tegenovergestelde.

Ze zit hier omdat ze overmoedig God dankte nadat de vijand was verslagen bij een veldslag. Ze behoort tot de partij van de Welfen. Haar vreugde was groot, maar ook bijzonder afgunstig naar de anderen. De vergelijking die ze maakt, is prachtig:

Ze werden daar verslagen en gedwongen
tot smadelijke vlucht; en bij dit vluchten
genoot ik afls ik nooit nog had genoten.
Brutaal sloeg ik mijn ogen naar de hemel
en krijste: ‘God, nu vrees ik je niet langer’,
als een bij ‘eerste vleugje zon de merel.
Aan ’s levens einde wilde ik mij verzoenen
met God; en nog zou van mijn vele schulden
niets afbetaald zijn door mijn boetedoening (vs 118 – 126, Boeken)

Het was een beetje overmoedig, want in januari is het nog veel te koud om te gaan zingen voor een merel. Het laat zien dat zij te vroeg juichte, maar zich later met God verzoend heeft. Ondanks dat moet ze zich hier reinigen van haar afgunst, geholpen door de gebeden van de Pietro Pettinaio, een vrome Fransiscaan.

Daar biecht Dante tegen Sapia, dat hij zeker ook last heeft van zonden, maar niet zo zeer van de afgunst. Hij heeft veel meer last van de zonde uit de ring van de Louteringsberg waar hij net vandaan komt: de hoogmoed.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 13

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van H.J. Boeken uit 1907-1910. Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Terugblik: Paradijs: Canto 22

Ik blikte omlaag door alle zeven sferen, en toen ik de aardbol zag heel in de diepte, zo klein en zo gering, glimlachte ik even. En loof ik ...