woensdag 27 april 2016

Harpijen en kreupelbos: Divina Commedia: Hel: Canto 13

image

De 7e hellekring is opgedeeld in 3 cirkels. Als Dante en Vergilius in de 2e cirkel komen, lopen ze door een kreupelbos. Dante vergelijkt het met de bossen tussen Cecina en Corneto, waar de wilde dieren zich tussen de lage struiken en bomen ophoudt.

Dit kreupelbos is nog veel minder doordringbaar, vervolgt de verteller. Hij zegt erbij dat hier de harpijen zich schuilhouden. Harpijen zijn grote roofvogels met een mensenhoofd en een grote buik vol veren.

Overal om zich heen hoort Dante gejammer en geweeklaag, maar hij ziet nergens een mens. Vergilius weet ook niet waar het aanhoudende gekerm vandaan komt. Misschien moeten we een takje afbreken en houdt het daarmee op, suggereert hij.

Als Dante dat uiteindelijk doet, dan schreeuwt een stem waarom hij iets van hem afbreekt:

En als hem ´t bloed besproeide in zwarten stroom,
Daar gilde hij opnieuw: ¨Wie durft mij knakken?
¨Kent gij dan gansch geen deerenis of schroom?

¨Wij menschen eens, zijn tronken nu! Ons, zwakken,
¨Moest gij beroeren met wat zachter hand,
¨Al huisden slangenzielen in deez´ takken.¨ (vs 34-39, Ten Kate)

De woorden komen tegelijk met de druppels bloed uit het afgebroken twijgje. De zondaars in deze 2e cirkel van de 7e hellekring zijn veranderd in kreupelhout. Dante grijpt zijn kans om met deze mensen in gesprek te komen.

De vergelijking die deze gekwelde ziel maakt is heel mooi. Hij vertelt hoe zijn ziel na zijn dood in het bos gegooid is, waarna het ontkiemde als een zaadje en tot een struik uitgroeide. De harpijen voeden zich met de bladeren van de struiken en doen ze daarmee pijn.

Zijn droevige verhaal wordt onderbroken door 2 naakte gestalten die het kreupelbos inrennen. Ze worden achtervolgd door honden, die hen even bloeddorstig verscheuren. Dante en Vergilius houden zich schuil en horen helemaal aan het einde van deze Canto wie de boom is waarvan Dante een takje afbrak: ik ben de man die zich in zijn eigen huis verhing.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 13

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Ten Kate uit 1876.
Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 20 april 2016

Centauren en kokend bloed: Divina Commedia: Hel: Canto 12

image

De 2 dichters komen in de 7e hellekring. Ze moeten hiervoor wel van een steile rots afdalen. Hier vertoeven ook de monsters. De verteller spreekt over een monster, geboren uit een nagemaakte koe.

Hier parafraseert Dante het verhaal uit de klassieke mythologie. De tegennatuurlijke liefde van Pasiphae voor een stier. Hieruit komt het monster Minotaurus voort. Dante en Vergilius komen het hier op de rots tegen. Het dier bijt in zichzelf en Vergilius bestrijdt het monster met zijn woorden. Het krimpt ineen en kronkelt daar in de rots.

De dichter kan enkel nog verzuchten:

O blinde hebzucht, dwaze woede die ons
in ´t korte leven voortdrijft en ons dan
voor eeuwig in die diepte onderdompelt! (vs 49-51; Rob Brouwer)

Ze dalen verder naar beneden, komen bij een bloedrivier. Hier lopen opnieuw mythologische wezens, het zijn centauren. Wezens, half mens, half paard. Dante maakt er regelmatig een half fantasy-verhaal van en vermengt zonder gene allerlei verhalen van de klassieken en de bijbel.

De centaur Chiron ziet dat Dante niet een dode ziel is, maar een levende is die de onderwereld betreedt. Vergilius houdt een mooi pleidooi voor zijn levende vriend en vraagt of de centauren hem willen begeleiden door dit deel van de hel. Nessus krijgt deze opdracht van Chiron. Hij voert de dichters langs de oever van de rivier.

Hier komen ze alle zondaars tegen die zich aan hun naaste hebben gegrepen. Dante ziet Alexander en Dionysius, wrede tirannen die we niet met zekerheid op een historische figuur kunnen duiden. Er volgen nog meer namen. De schimmen zitten tot hun hoofd in het kokende bloed van de rivier.

Verderop is het rivierpeil lager en zitten de gestraften slechts tot hun voet in het vocht. Hier kunnen Dante en Vergilius door de rivierbedding lopen naar de tweede hellekring. Nessus laat hen in de steek nadat hij hun verteld heeft dat de rivier aan de andere kant weer diep is en de tirannen daar weer tot hun hoofd in het kokende bloed staan.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 12

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rob Brouwer uit 2005.
Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 13 april 2016

De geweldplegers: Divina Commedia: Hel: Canto 11

image

Ze staan op het uiterste randje van de hoge rotswand die de 6e hellekring scheidt van de 7e. Hier op deze rand krijgt Dante uitleg van Vergilius over de 7e hellekring.

Deze kring is opgedeeld in 3 typen geweldpleger, naar de 3 soorten geweld die mensen kunnen plegen. De klassieke dichter legt het nog eens goed uit: de mens kan geweld plegen tegen God, tegen zichzelf en tegen zijn naaste.

Elke geweldspleging heeft zijn eigen cirkel. De uiteenzetting die Vergilius hier geeft, is gebasseerd op het Romeins recht. Met hedendaagse ogen bevat het zondigen tegen God soms ook elementen uit de 2 andere cirkels.

Mooi is wat Vergilius vertelt over het bedrog dat door de mens wordt gepleegd tegen een ander mens. Het vertrouwen dat de medemens in je heeft, wordt hier geschonden. Hetzelfde geldt voor de liefde. Voor Vergilius zijn dit zware vergrijpen.

Daar op die rotswand ontstaat een filosofisch betoog als Dante doorvraagt. Vergilius verwijt Dante dat hij met zijn gedachten van de rechte weg afdwaalt. Hij onderwijst zijn leerling nu zoals Dante het ziet: de klassieke schrijver geeft onderricht.

Hier komen wijsheden voorbij die Dante door zorgvuldige studie van de oude wijzen zich heeft toegeëigend. Dat levert een aardig staaltje Middeleeuwse geleerdheid op. Tot en met de verwijzing aan het einde van dit Canto.

Wie weet nu nog op welke dag en tijdstip Dante de 7e hellekring betreedt? Vergilius verraadt het in zijn afsluiting:

Maar volg mij als nu, daar het gaan mij gevalt; want de Visschen schieten op aan den horizont, en de Wagen ligt gansch boven het Noord-Oosten; en de helling daalt nog ver ginds-henen. (Boeken, 112-115)

Het lijkt er hier sterk op dat de eerste dag erop zit van de reis door het hiernamaals. De 2 sterrenbeelden Vissen en Ram die elkaar afwisselen, duiden op 2 uur voor zonsopkomst. De nieuwe ochtend nadert.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 11

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van H.J. Boeken [Wereldbibliotheek, 1907], vijfde oplaag uit 1922.
Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 6 april 2016

Stadsgenoten: Divina Commedia: Hel: Canto 10

image

Dante en Vergilius lopen door de stad die ze pas binnen konden treden nadat de engel de poort opende. Dante ziet de vele geopende graven en zijn nieuwsgierigheid wint het van de eerdere angst. Vergilius vertelt dat hier de mensen liggen die niet geloofden dat er na de dood een leven zou zijn. Het zijn de aanhangers van de leer van Epicurus.

Maar Dante hoeft helemaal niet zelf in actie te komen. Terwijl hij in gesprek is met Vergilius, spreekt een stem uit een tombe. Het is een stadsgenoot, Farinata degli Uberti, uit het geslacht van Dantes tegenstanders, de Ghibellijnen.

Dan gebeurt er iets in het graf ernaast. Een schim rijst omhoog. Het is de vader van een vriend. Hij vraagt hoe het met zijn zoon is en waarom die niet met Dante mee is.

Het lijkt hier wel alsof de verteller zijn vriend een waarschuwing geeft. Als je je hier laat ingaan met die ketterse leer van Epicurus, dan treft je eenzelfde lot als je overleden vader. De man verdwijnt spoorslags in het graf en Dante ziet nog altijd de zelfverzekerde schim van zijn vijand uit het andere graf steken.

Hier krijgt Dante dan ook de voorspelling over zijn lot. De verteller speelt wel een spelletje met de tijd. Speelt het verhaal zich in de periode tussen Goede Vrijdag en een week na Pasen in 1300, Dante schrijft de Goddelijke komedie pas veel later. Zodoende kan hij zonder problemen een toekomstvoorspelling laten doen die klopt.

Dante is van slag als hij hoort dat hij verbannen zal worden uit zijn geboortestad. Hij zal er nooit meer naar terugkeren. Hier lees je de emotie die hem treft bij het horen van de ballingschap. Hij laat zijn vijand Uberti achter en loopt onthutst achter Vergilius aan.

‘Prent in uw geest, wat gij hier hebt vernomen
vam ’t kwaad, dat u bedreigt,’ beval de wijze
‘En geef nu acht (en hoog hief hij de vinger):
Wanneer ge eens staan zult in de stralen-schittring
van haar, wier heerlijke ogen alles schouwen,
zult ge ook van haar uw levensgang vernemen.’ (Canto X, 127-132, Christinus Kops)

Hij krijgt troost van de klassieke dichter, zijn voorbeeld. Zeker ook omdat deze Dante belooft dat hij verderop nog meer over zijn verdere levensloop zal horen. Er zullen nog meer profetieën volgen op Dantes reis door het hiernamaals.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 10

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Christinus Kops, vijfde druk uit 1985.
Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 30 maart 2016

De ketters: Divina Commedia: Hel: Canto 9

image

Lijkt de reis door het hiernamaals onschuldig, De goddelijke komedie zit bomvol met spannende elementen. Soms lijkt het op een heus Fantasy-boek waarin vreemde wezens rondvliegen en sommige zielen onherkenbaar zijn, staarten hebben of de kop van een dier.

In de 9e Canto wordt het spannend. Voor de poort van de stad Dis zijn Dante en zijn begeleider Vergilius beland. Ze kunnen niet verder, de toegang wordt ze ontzegd. Ze kunnen geen kant op. Voor ze is de dichte poort, vanaf de hoge toren staan er 3 wraakgodinnen.

De angst slaat hem aan het hart. De 3 helse furiën, bloedrood van kleur en lijkend op vrouwen wat betreft hun lichaam en houding:

Waar eensklaps naadrend op een rij zich schaarden
Drie helsche Furiën, met bloed bevlekte,
Drie vrouwelichamen die woest gebaarden,

Om wie zich groenig slanggekronkel rekte.
Terwijl de slapen geen gewar van tressen
Maar van gehoornde slang en adders dekte (vs 37-42; Verweij)

De furiën roepen Medusa op om Dante te verstenen, maar Vergilius houdt het hoofd koel. Draai je om en doe je ogen dicht, zegt hij tegen de dichter. Als je hem echt aankijkt, zul je verstenen, maar bij mij ben je in veilige handen.

Zo wachten ze op de hulp van een engel. Alle mensen schuiven opzij als deze eraan komt. Hier maakt het lyrisch ik weer een prachtige vergelijking. De massa schuift weg zoals kikkers wegspringen als ze in de gaten hebben dat er een ringslang in aantocht is.

De engel maakt de poort met een klein stafje open. Het lijkt wel Harry Potters toverwereld hier in Dantes hel. De eenvoud waarmee de poort opengaat. De engel roept nog wat tegen de verloren zielen en verdwijnt weer even snel als hij gekomen is.

In de stad lopen ze over een kerkhof, waar uit de graven een hartverscheurend gejammer klinkt. Het zijn de ketters die hier liggen, zegt Vergilius. De tomben verschillen in temperatuur, afhankelijk van de dwaling van de ketter. Zo lopen ze verder door de stad in deze zesde hellekring.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 9

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Albert Verweij uit 1923.
Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 23 maart 2016

Tragen en toornigen: Divina Commedia: Hel: Canto 8

image

Dante en Vergilius staan bij het helledeel van de tragen en toornigen. Ook hier speelt Dante met de tegenstelling in zonden. Hoe ze elkaar kunnen traineren en tergen. Ver weg zien ze de toren van de stad Dis waar ze naartoe trekken. Maar voor ze de toren bereiken, beleven ze nog een heel avontuur.

Hoog in de toren ontbranden 2 lichtjes om de komst van de dichters te melden. In de verte over het moeras antwoordt een nauwelijks waarneembaar lichtje. Als Dante vraagt aan zijn begeleider wat het andere lampje betekent, hoeft hij niet lang op een antwoord te wachten.

Geen pijl die ooit van ’n pees zó flitsend wegsprong
en zich met zó’n vaart repte door de lucht,
als ’t kleine scheepje dat ik op het water

al aan zag komen varen, op ons af.
Het bootje werd alleen bemand door ’n stuurman
die riep: ‘Je bent erbij, verdomde ziel!’ (vs 13-18; Brouwer)

De prachtige vergelijking die het lyrisch ik hier maakt. Hoe lucht en water hier vermengen in de vergelijking. Het varen door het water gaat normaal heel traag, hier schiet het scheepje zo snel naar voren als een pijl door de lucht. De stuurman, Phlegyas, een mythisch figuur die hier een andere rol krijgt toebedeelt, mag de 2 vervoeren naar de overkant.

Al varend op de ‘doodse slijkpoel’ treft hij een driftige stadsgenoot aan. Het is de boze Filippo Argenti die uit het niets in een ongelooflijke woede uitbarst. Dante ziet hem niets liever dan in de drek van het moeras verdwijnen.

Zo bereiken ze de stad Dis. Een stad die boordevol met heidense gebouwen staat, ziet het lyrisch al als ze de gracht om de stad naderen. Het zijn moskeeën volgens Dante die zo rood zien als het vuur waaruit ze ontstaan zijn. De menigte die hier staat wil hem hier niet zien. Wat moet deze levende hier. Je moet toch dood zijn voordat je hier mag binnentreden?

De moed zakt Dante in de schoenen, maar Vergilius troost hem en belooft dat hij bij de dichter zal blijven zolang hij in de onderwereld is. Ondanks deze belofte smijten de terugrennende bewoners van de stad de poort voor hun neus dicht. Ze moeten wachten op hulp.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 7

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Rob Brouwer uit 2005.
Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

woensdag 16 maart 2016

Gierigaards en verspillers: Divina Commedia: Hel: Canto 7

De gierigaards en verspillers zijn op prachtige manier bij elkaar gebracht in de vierde hellekring. De tegengestelde zondaars kwellen elkaar aldoor. Ze botsen als de golven van de zee in de Straat van Messina. Hier komen 2 golfstromen elkaar tegen.

Voor Dante Vergilius dit zien, moeten ze eerst de vijand Pluto passeren. Hij gromt ze iets onverstaanbaars toe, maar het klinkt dreigend genoeg. Als een held weet Vergilius het monster met zijn woorden te breken. Het monster valt ineen en ze kunnen hem passeren.

Bij de botsing roepen de gierigaards en verspillers elkaar allerlei verwensingen toe:

Zij botsten tegen elkaar en juist bij dat punt
draaien ze elk weer om, terugwentelend,
roepend: “Wat houd jij vast! Wat smijt jij weg?”
Zoo kolkten zij door den duisteren kring in ’t rond
van links naar rechts naar ’t tegenoverliggend punt
hun schimpdeun elkander gedurig toekrijtend; (vs 28-33, Van Delft)

Een treffend beeld om 2 tegengestelde zonden met elkaar te confronteren. Ze komen een paar hebzuchtige pausen en kardinalen tegen. Vergilius merkt op dat deze rusteloze zielen nooit tot rust zullen komen. Al het goud op deze wereld zou niet genoeg zijn om ze tot bedaren te brengen. Hij verwoordt de hebzucht heel treffend.

Het gesprek dat volgt is filosofisch van aard. Dante vraagt zich af wat de macht van wereldse goederen is op de mens. Waarom worden deze zielen zo getroffen door goederen dat de een het bij zich wil houden en de ander het wil verspillen. Het antwoord legt Vergilius bij de beperkte menselijke geest. Hij stelt zich Fortuin voor als een vrouw, met een macht waar de menselijke geest geen vat op heeft.

Het tweetal trekt verder, langs de driftige zielen. In hun blinde drift strijden de zielen tegen elkaar in een poel midden in het moeras van de Styx. Dante en Vergilius slaan het gade en komen als ze om de poel heen zijn gelopen aan bij de voet van een toren.

Lees de andere bijdragen van het Dante project

Gedichten rond Canto 7

Lees meer op wolkenhemel.blogspot.nl

Literatuur
De hier gebruikte vertaling is van Van Delft uit 1920.
Er zijn vele vertalingen van Dantes meesterwerk in het Nederlands verschenen.

Terugblik: Paradijs: Canto 22

Ik blikte omlaag door alle zeven sferen, en toen ik de aardbol zag heel in de diepte, zo klein en zo gering, glimlachte ik even. En loof ik ...